Black comedy

  |   Henk Knol, Ida Dekker, Jan Klaver, Peter Keizer, Ria Knol, Theo Abbekerk, Uitvoering

Omschrijving
Een geniale vonds ligt aan de basis van dit stuk. Een groep mensen spelen in het volle toneellicht, terwijl zij eigenlijk een situatie beleven die zich in volle duisternis afspeelt.Hoe kan dit? “Black comedy” start in volslagen donker en pas als er een kortsluiting is ontstaan gaat het toneellicht aan. Het licht wordt tot de helft gedempt als iemand een lucifer of een zaklantaarn aansteekt. Op de Londense flat van de jonge beeldhouwer Brindsley Miller heerst nerveuze bedrijvigheid. Met zijn verloofde Carol, nogal verwend en aanstellerig, treft Brindsley voorbereidingen voor twee belangrijke gasten. In de eerste plaats is dat George Bamberger, een kunstverzamelende multi-miljonair, die erg geïnteresseerd zou zijn in het werk van de jonge beeldhouwer. Als deze beroemde verzamelaar iets koopt is het fortuin en de carriére van Brindsley verzekerd. Ook verwachten ze Carol’s vader, Kolonel Melkett, een martiale bullebak die zijn aanstaande schoonzoon komt keuren. Om een goede indruk op de kolonel te maken, willen ze dat hij er bij is als straks de multi-miljonair werk van Brindsley komt kopen. Terwille van die goede indruk ook, slepen ze uit de flat van de buurman, een antiquair die een tijdje afwezig is, kostbare meubels en een paar antieke stukken. Deze moeten het karige interieur van de arme artiest voor deze avond een rijke allure geven.Carol en Brindsley geraken tijdens de voorbereidingen voor de grote avond in een steeds zenuwachtiger en prikkelbaarder stemming. Als Carol de grammofoon wil inschakelen om een plaat te draaien, valt plotseling het licht uit. Vanaf dit moment loopt praktisch alles mis. Het blijft nagenoeg de hele avond “donker” en allerlei kleine en grote katastrofes, die voor een belangrijk deel met de konstante duisternis samenhangen volgen elkaar snel op. Om te beginnen is er de oude vrijster Miss Furnival, de bovenbuur van Brindsley, die bang geworden is in het donker, naar beneden komt en daar de hele avond in de weg blijft lopen. Ze vindt tenslotte troost in de alkohol die ze drinkt als limonade. Ze maakt op de meest ongelegen momenten opmerkingen, die Carol en Brindsley in paniek brengen. Paniek is al eerder ontstaan – bij Brindsley tenminste – als zijn oude verloofde hem verliefd opbelt om te zeggen dat ze weer in Londen is. Dit meisje Clea maakt het later nog moeilijker voor hem door ongevraagd en gebruikmakend van de heersende duisternis, ongezien op bezoek te komen. ook Harold Gorringe, de antiquair zorgt voor een verrassing. Hij komt eerder terug dan verwacht. De situatie wordt steeds pijnlijker, zeker als ook de man van de Electricity Board die het licht zal proberen te maken nog een tijdje voor een ander wordt gehouden. De lang verwachte multi-miljonair komt tenslotte ook, maar intussen lijkt de flat meer op een chaotisch slagveld, waardoor het licht, dat tenslotte toch gerepareerd wordt, nauwelijks opheldering brengt.

Cast
Saskia Bekker – Clea
Jan Willem Heideman – Schuppanzigh
Jan Klaver – Harold Gorringe
Ria Knol – Juffrouw Furnival
Simon Knol – Kolonel Melkett
Marcel Korse – Brindsley Miller
Marjon van Loon – Carol Melkett
André Vloeijberghs – Georg Bamberger

Crew
Ida Dekker – Grime
Ria Knol – Grime en kleding
Henk Knol – Soufleur
Wim Burghouwt – regisseur
Peter Keizer – technische ploeg
Hans Bot – technische ploeg
Jan Maarten Heideman – technische ploeg
Peter van Diepen – technische ploeg
André Vloeijberghs – toneelaankleding
José de Boer – toneelaankleding
Yvonne Feller – toneelaankleding

Recensie
Wat dit stuk bijzonder maakt is het feit dat de toeschouwer dit geheel, van begin tot eind, voorgeschoteld krijgt in een tegengestelde presentatie van licht en donker. Er wordt gespeeld in het donker als het gewoon licht is en zodra de stroomstoring een feit is wordt er gespeeld in het licht. De kijker wordt beschouwer van mensen die handelen in reageren in het stikdonker.

Dat onderstreept de belangrijke rol van de belichting. Er wordt met grote regelmaat een poging gedaan om het licht te krijgen met een aansteker, een lucifer of een kaars. Zodra zo’n lichtbron aan gaat moet het licht dimmen, afhankelijk van de sterkte. Of omgekeerd als dat lichtpuntje gedoofd wordt. Daarmee zat Hans Bot over het algemeen wel goed. Wat minder geslaagd was de belichting als er veel met zo’n minieme lichtbron werd bewogen. De sterkte van een spot was niet geheel gelijk aan het voorgaande. Dat werkte toch wel verwarrend. Je moet je al constant inbeelden dat het de omgekeerde lichtwereld is. Als er dan veranderingen komen die niet helemaal kloppen krijg je verlies van concentratie.

De acht tonelisten moeten in de spotlichts waar maken dat zij elkaar niet zien en dat zij niet weten wat er op het toneel gebeurt. In dit geval is het vaak spelen op en met de vierkante centimeter. Het blijft een tasten en zoeken naar degene die men wil spreken of welke handleingen er moeten worden verricht. Dat wordt knap volgehouden. De uitdrukkingen op de gezichten blijven die van verwondering, verbazing of onzekerheid. Door het volle toneel is er ook een afdekken van medespelers waardoor dat handelen net niet volledig in zicht is. Heel doeltreffend is ook dat in een scene waarin niet iedereen meedoet deze spelers strak staan en dat doortrekken naar hun gezichtsuitdrukking.

Een voorstellinge die in het ‘juiste licht’ bezien kan worden.

Schrijver(s): Bep de Beer
Uitgave: Noordhollands Dagblad
Recensent: Hendric van Doorn